We komen aan in een gehuchtje.
We vragen waar de kapel is.
Enkele mensen op een bank kijken ons aan.
Zwijgend. En daar zit hij, Edilton.
Vuile broek.
Gescheurd hemd.
Mager.
Een beetje raar.
Hij staat op en wijst ons de kapel. Daar.
Wat later vervoegt hij ons met iemand die de sleutel heeft.
Als de kapel geopend is, gaat hij onmiddellijk binnen,
neemt een borstel en begint het stof bij mekaar te vegen.
Slungelachtig.
Met een grijns.
Een beetje zot.
Echt één van de onzen.
Van de Drie-Éne.
Van diegene die niet meetellen.
Die erbuiten staan.
In al hun eenvoud.
Een borstel in de hand.
Zichzelf ontledigen. Zich klein maken.
Beeld en gelijkenis van Hem die leeft, een Mensenzoon
Heeft hij geen macht begeerd, geen aanzien als een god,
En heeft zich niet aan de gestalte dezer wereld onderworpen
Heeft niet, roofzuchtig, voor zichzelf geleefd
Maar zich ontdaan van zijn bezit
En is de weg gegaan die langs de zelfkant voert, het duister in.
En is niet halverwege omgekeerd, maar heel de weg gegaan.
Is op de slavenmarkt gaan staan
Om als de minste mens verkocht te worden
En werd zo één van hen die mensonwaardig zijn
Werd niemand met wie niemand zijn
en wie hem zien, keren zich van hem af,
En trok het lijden aan en droeg het als een lam
En stond stom voor zijn scheerders
en werd gehangen als een slaaf
Zo is hij mens geworden, een gerechte:
Beeld en gelijkenis van Hem die leeft en liefde is,
Hem noemen wij: Heer, Mensenzoon van God,
Leidsman en lotgenoot, Jezus Messias.
(Filippenzen 2, 6-11 – vertaling Oosterhuis)