“Laten we naar de overkant van het meer gaan”

We zijn al door vele wateren gestapt.  De rivier treedt al weken buiten haar oevers en zet het binnenland onder water.  De kleine aardewegen die de riviergemeenschappen verbinden, zijn onderbroken.

Daar ligt hij.  De boot.  Als een uitnodiging.  “Laten we naar de overkant van het meer gaan,” zegt Jezus tegen zijn leerlingen. (Lucas 8,22).

Het bekende achterlaten en oversteken naar het onbekende.  Door diepe wateren gaan.  De overkant is een uitnodiging tot verandering.  Is een uitnodiging tot het beschouwen van jouw bestaan.  Is ontmoeting met het ongekende, het land van de heidenen – van zij die anders zijn – van zij die je niet kent.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Geplaatst in 08st pelgrimstocht | Een reactie plaatsen

De gastvrijheid van Dalila

Een eenvoudig huisje.  Van leem.  Achteraan een klein afdakje in de tuin.  Samen met een hokje voor de WC, een watertank en een wasbak.  Het kleine afdakje is heel laag.  Je moet je bukken om eronder door te gaan.

De zes pelgrims komen aan.  Groot is de vreugde van Dalila om ze te mogen ontvangen.  Onmiddellijk mogen de pelgrims plaatsnemen onder het afdak rond de tafel.  Eerst een koffietje.  Daarna het avondmaal voorbereiden.  Ondertussen houdt Daniela, leerkrachte en schoolhoofd, de pelgrims gezelschap.

Reinaldo is de vis aan het schoonmaken in de tuin.

En plots is het avondmaal klaar.  Dalila rent rond.  Zet de borden op tafel, de couscous, de gebakken eieren, de vis.  Vergeet de vorken –  en rent er vlug nog om.  Daarna ontdekt ze dat ze de glazen is vergeten en met gratie en tederheid worden ook die op tafel gezet.


Geplaatst in 08st pelgrimstocht | Een reactie plaatsen

De roeping van Juca

Daar zit hij rustig voor zijn huisje. Een eenvoudig huisje aan de rand van de rivier. De vrouw is bezig het avondmaal klaar te maken. Hij is net thuisgekomen van het land, heeft een bad genomen en kijkt er naar uit om met de pelgrims te praten.
Beetje per beetje vertelt hij zijn eigen verhaal. Een verstandig man. Heeft enkele jaren in de wereldstad Sao Paulo geleefd en gewerkt. In een advocatenbureau. Heeft drie semesters rechten gestudeerd, maar uiteindelijk besloten om terug te keren naar zijn geboortestek, een plaatsje van 50 huisjes aan de rand van de St.-Franciscusrivier.
Het leven is meer dan veel geld verdienen en gestresseerd worden in een grote stad. Het leven is er om geleefd te worden. Wat kan je meer verlangen dan te genieten van een zonsondergang recht tegenover je huis en van een immense, weidse rivier? Hoe heerlijk is het om een bad in de rivier te nemen, vis of wat geroosterd vlees van een geit te eten en melk rechtstreeks van de koe te drinken?

Geplaatst in 08st pelgrimstocht | Een reactie plaatsen

De stem die roept

Nita verlangt ernaar om een rozenkrans te hebben. Maar omdat ze arm is en niks heeft, kan ze die niet kopen in de kerk. Na lang aarzelen verzamelt ze haar moed om geld te lenen, maar vindt niemand. Op zekere dag leent een landeigenaar haar toch 50 cruzados. Ja, juist, zo iemand leent haar het geld.
Dus koopt Nita de rozenkrans en hangt die aan de muur van haar huis als een trofee. Nu droomt ze ervan ooit te leren bidden, want dat kan ze niet. De tijd gaat voorbij. Op zekere dag hoort ze bij het verlaten van haar huis een stem die vraagt of ze de rozenkrans wil leren bidden. Ze kijkt om zich heen, achter zich, onder de houtstapel, maar ziet niemand.
Later hoort ze de stem opnieuw met dezelfde vraag. Opnieuw kijkt ze om zich heen, maar ziet niemand. De derde keer, wanneer de stem haar opnieuw aanspreekt met de vraag of ze de rozenkrans wil leren bidden, aarzelt ze geen minuut meer en roept uit: “Ja, ik wil!”. Wanneer ze in huis aankomt, nodigt ze onmiddellijk iedereen uit en begint ze de rozenkrans al zingend te bidden!

Dona Nita woont aan de oever van de St.-Franciscusrivier in een heel klein gehuchtje. Ze is meer dan 80 jaar oud en vertelt met enthousiasme haar roepingsverhaal van meer dan 50 jaar terug.

Geplaatst in 08st pelgrimstocht | Een reactie plaatsen

De twee engelen

We zijn aangekomen in een dorp. Niemand kijkt naar ons om. Het is het patroonsfeest. We gaan naar de processie. Maar hebben met niemand contact. En daar staan ze dan.
Twee engelen.
Jong en onschuldig.
Open en vol verwachting.
Teder en stil.
Een signaal van Gods aanwezigheid op een moment van droogte en afwezigheid.
Ze hebben van ons gehoord en willen de volgende ochtend met ons mee. We twijfelen. Maar toch…
Ze gaan met ons mee. Op het einde van de dag stoppen we onder een umbuzeiro (een vruchtenboom). Wat namijmeren over de dag. En dan komt het ondersteunende woord van onze twee engelen. Wat is het toch mooi hoe jullie op mekaar ingespeeld zijn.
Engelen tonen wat mooi en waar is. In alle eenvoud dat je het zelf soms niet eens bemerkt. Ze gaan met je mee op weg. Ze zijn er als je ze nodig hebt.

Geplaatst in 08st pelgrimstocht | Een reactie plaatsen

De veehoeder

Daar komt hij met zijn koeien langs de weg. Hij fluit en met zijn wijsvinger geeft hij ons een teken om aan de andere kant van de weg te gaan staan. We zouden zijn koeien kunnen verwarren.
Een klein ventje. De grootte van Zacheus. Maar heel levendig.
Twee uur later zien we hem terug. In het huis van Dalila. Vlijtig kuist hij de vis. Praat met ons. Toont ons de rivier, de vruchten, de plaats waar we kunnen wassen en een bad nemen. En dan verdwijnt hij. Want hij heeft energie nodig.
´s Avonds is hij er ook bij. In het kapelletje. Maakt duidelijk aan zijn twee zoontjes dat er gezwegen moet worden. En dan komt hij naast mij zitten. Hij zwijgt geen minuut. ´t Is duidelijk dat hij nogal wat energie binnengegoten heeft.
De volgende ochtend staat hij daar bij het ontbijt. Met verse melk. Zijn gift aan ons. Gul en gemeend. En dan gaat hij een eindje mee. Tot aan het hek van de eerste boerderij. Daar neemt hij afscheid en huilt. Ja, de kleine Zacheus huilt. Want alcohol is de meester in zijn leven.

Geplaatst in 08st pelgrimstocht | Een reactie plaatsen

Hij heeft zichzelf ontledigd

We komen aan in een gehuchtje.
We vragen waar de kapel is.
Enkele mensen op een bank kijken ons aan.
Zwijgend.  En daar zit hij, Edilton.
Vuile broek.
Gescheurd hemd.
Mager.
Een beetje raar.
Hij staat op en wijst ons de kapel.  Daar.
Wat later vervoegt hij ons met iemand die de sleutel heeft.
Als de kapel geopend is, gaat hij onmiddellijk binnen,
neemt een borstel en begint het stof bij mekaar te vegen.
Slungelachtig.
Met een grijns.
Een beetje zot.
Echt één van de onzen.
Van de Drie-Éne.
Van diegene die niet meetellen.
Die erbuiten staan.
In al hun eenvoud.
Een borstel in de hand.
Zichzelf ontledigen.  Zich klein maken.

 

 

 

Beeld en gelijkenis van Hem die leeft, een Mensenzoon
Heeft hij geen macht begeerd, geen aanzien als een god,
En heeft zich niet aan de gestalte dezer wereld onderworpen
Heeft niet, roofzuchtig, voor zichzelf geleefd
Maar zich ontdaan van zijn bezit
En is de weg gegaan die langs de zelfkant voert, het duister in.
En is niet halverwege omgekeerd, maar heel de weg gegaan.
Is op de slavenmarkt gaan staan
Om als de minste mens verkocht te worden
En werd zo één van hen die mensonwaardig zijn
Werd niemand met wie niemand zijn
en wie hem zien, keren zich van hem af,
En trok het lijden aan en droeg het als een lam
En stond stom voor zijn scheerders
en werd gehangen als een slaaf
Zo is hij mens geworden, een gerechte:
Beeld en gelijkenis van Hem die leeft en liefde is,
Hem noemen wij: Heer, Mensenzoon van God,
Leidsman en lotgenoot, Jezus Messias.
(Filippenzen 2, 6-11 – vertaling Oosterhuis)

Geplaatst in 08st pelgrimstocht | Een reactie plaatsen